Artikel   |  donderdag 12 oktober 2017
4698 × gelezen

Regeerakkoord Rutte III: gevolgen voor de publieke sector en HRM


Bron 'Tweede Kamer Der Staten Generaal

Met Prinsjesdag nog vers in het geheugen, ligt het regeerakkoord van het kabinet Rutte III alweer voor onze neus. Dit regeerakkoord van de VVD, CDA, D66 en ChristenUnie bevat een aantal maatregelen die direct of indirect van invloed zijn op de publieke sector en werken in de publieke sector.

Op basis van het 68 pagina-tellende regeerakkoord hebben we voor HRM, management en bestuur in de publieke sector een samenvatting gemaakt met de belangrijkste voornemens. Met daarbij de kanttekening dat dit natuurlijk nog plannen zijn. De wettelijke en sectorale uitvoering moeten we nog afwachten.

Uitgangspunt regeerakkoord

Het nieuwe kabinet vindt dat politiek moet gaan over Nederland én Nederlanders, minder over cijfers en Den Haag. Daarbij moet iedereen zich verzekerd weten van een veilige, zorgzame en hechte samenleving en gaat het regeerakkoord uit van hervorming voor zekerheid en kansen in een nieuwe economie. De arbeidsmarkt, pensioenen en de woningmarkt zijn volgens het kabinet Rutte III bedoeld om zekerheid en kansen te bieden voor iedereen, ook wanneer de omstandigheden met de tijd veranderen. Daarvoor is periodiek onderhoud en modernisering van stelsels zijn noodzakelijk.

Dit gaan ze realiseren door te investeren in collectieve voorzieningen. Bijvoorbeeld met extra geld en menskracht voor veiligheid, onderwijs en zorg. Ook gaat het kabinet hervormen voor meer zekerheid en kansen in nieuwe economie door bijvoorbeeld nieuwe balans tussen flexwerk en vaste contracten, meer maatwerk in oudedagsvoorzieningen. Dat alles vanuit de gedachte dat de economie groeit, de werkgelegenheid aantrekt, de werkloosheid daalt en de overheidsfinanciën weer op orde zijn.

Arbeidsmarkt en sociale zekerheid

Het doel van het nieuwe kabinet is een eerlijke en evenwichtige arbeidsmarkt (vast minder vast en flex minder flex) met ruimte voor ondernemers die willen ondernemen én werkgever willen/durven/kunnen zijn en werknemers voor wie werken meer loont.

  • Het kabinet stimuleert werkgevers en werknemers om afspraken te maken over de modernisering van cao’s. Dat betekent ruimte voor maatwerk, keuzevrijheid in de verdeling tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden en meer aandacht voor duurzame inzetbaarheid van werknemers.
  • Door de invoering van de WWZ wordt ontslag, ook in situaties waar dit redelijkerwijs aan de orde is, onnodig bemoeilijkt. In die gevallen moet het mogelijk zijn om de rechter de afweging te laten maken of het van een werkgever verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten of dat ontslag gerechtvaardigd is.
  • De opbouw van de transitievergoeding wordt op twee punten meer in balans gebracht. Medewerkers krijgen vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding in plaats van na twee jaar. Voor elk jaar in dienstverband gaat de transitievergoeding een derde maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer dan 10 jaar. De overgangsregeling voor 50-plussers wordt gehandhaafd.
  • De mogelijkheid om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding worden verruimd.
  • Met het totale pakket aan maatregelen maakt de verschillen tussen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd kleiner. Dit maakt het mogelijk voor werkgevers om de keuze voor een contractvorm te laten volgen uit de aard van het werk dat gedaan moet worden.
  • Voor opvolgende contracten blijft de tussenpoos 6 maanden. Er moet sectoraal ruimte komen om af te wijken en de tussenpoos te verkorten als het werk daarom vraagt. Dit is al geregeld voor seizoensarbeid, maar wordt verruimd naar ander terugkerend tijdelijk werk dat ten hoogste gedurende een periode van 9 maanden kan worden verricht. In het primair onderwijs worden tijdelijke contracten voor invalkrachten in verband met vervanging wegens ziekte uitgezonderd van de ketenbepaling.
  • De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd van 2 naar 3 jaar.
  • De mogelijkheden voor een langere proeftijd worden verruimd om het aangaan van een contract voor onbepaalde tijd aantrekkelijker te maken voor werkgevers.
  • Het kabinet gaat payrolling bezien in het licht van het bij elkaar brengen van formeel en materieel werkgeverschap. Daarom blijft payrolling mogelijk als instrument voor ‘ontzorgen’ van werkgevers en niet voor concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Het kabinet komt met een wetsvoorstel waarin het soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard, werknemers qua (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk moeten worden behandeld met werknemers bij de inlener en de definitie van de uitzendovereenkomst ongemoeid blijft.
  • De definitie uitzendovereenkomst blijft ongemoeid.
  • Het kabinet wil voorkomen dat bij nulurencontracten sprake is van permanente beschikbaarheid daar waar de aard van de werkzaamheden dat niet vereist. Daarom wordt vastgelegd dat in deze situaties de werknemer niet, of binnen een bepaalde termijn niet, gehouden is gehoor te geven aan een oproep, of dat bij een afzegging recht op loon ontstaat.
  • Het kabinet gaat bekijken hoe de premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van een vast contract.
  • Verkorting periode van loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte naar 1 jaar voor bedrijven met < 25 werknemers.
  • Periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten) wordt verkort van 10 jaar naar 5 jaar. Daarmee wordt voor alle werkgevers de periode waarover risico wordt gelopen in geval van arbeidsongeschikte medewerkers, aanzienlijk beperkt.
  • Er wordt ingezet op maatregelen om de kans op het vinden van een baan voor WIA-gerechtigden te vergroten en daarmee het beroep op de WIA te verminderen. Voor personen die in de WIA zitten wordt het aantrekkelijker om te werken. De drempel voor werkhervatting wordt (financieel gezien) verlaagd. Voor personen die in de toekomst instromen in de WIA zal scherper gekeken worden naar geschikt werk bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Zelfstandige professionals (ZZP’ers)

  • De wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) wordt vervangen omdat deze zorgt voor veel onduidelijkheid en onzekerheid voor ZZP-ers.
  • Er komt een webmodule met een opdrachtgeversverklaring. Het handhavingsmoratorium voor de Wet DBA wordt daarvoor voorlopig verlengd. Opdrachtgevers moeten een online formulier invullen om te controleren of een opdracht zonder problemen door een ZZP’er uitgevoerd kan worden.
  • Deze opdrachtgeversverklaring gaat niet gelden voor interim-managers/professionals die boven de 75 euro per uur krijgen (voorlopig bedrag), mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
  • Er komt een minimumtarief voor de inzet van ZZP’ers bij werkzaamheden die langer dan drie maanden duren. Het minimumtarief komt vermoedelijk te liggen in een bandbreedte tussen de 15 en 18 euro per uur.

Activering vanuit gemeentelijke regelingen

  • Daar waar werken in een reguliere baan niet mogelijk is, moeten gemeenten arrangementen bieden voor beschut werk. Het budget voor activering van en dienstverlening aan mensen in een kwetsbare positie wordt verhoogd, waarmee voor 20.000 personen extra de mogelijkheid op beschut werk ontstaat.
  • De extra middelen om de inzet op beschut werk te verstevigen worden opgebracht door de loonkostensubsidies in de Participatiewet te vervangen door de mogelijkheid tot loondispensatie.
  • Het kabinet gaat in gesprek met gemeenten over de wijze waarop zij actief uitvoering geven aan de bestaande tegenprestatie voor mensen in de bijstand. Hiermee moet de arbeidsmarktpositie van deze doelgroep verbeterd worden.

Leren, zorgen, werken en ouder worden

  • Het huidige kraamverlof voor partners wordt verleng naar vijf dagen.
  • Daarnaast krijgen partners aanvullend kraamverlof van vijf weken per 1 juli 2020. Dit dient in het eerste half jaar na de geboorte opgenomen te worden tegen betaling van 70% van het dagloon.
  • Er wordt € 250 miljoen extra uitgetrokken voor kinderopvangtoeslag.
  • Kinderbijslag wordt verhoogd met € 250 miljoen en kindgebonden budget met € 500 miljoen.

Levenlang ontwikkelen en kunnen werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd

  • Er komt een scholingsregeling voor levenlang leren.
  • Er is een ambitieus leeftijdbewust personeelsbeleid nodig ten behoeve van ouderen op de arbeidsmarkt.

Vernieuwing pensioenstelsel

  • De zogenoemde doorsneesystematiek wordt afgeschaft. Voor alle contracten wordt een leeftijdsonafhankelijke premie verplicht en krijgen de deelnemers een opbouw die past bij de ingelegde premie.
  • Sociale partners ontwikkelen een nieuw pensioencontract.
  • Het kabinet wil meer ruimte bieden voor keuzevrijheid en gaat onderzoeken of en hoe het in het vernieuwde stelsel mogelijk is om een beperkt deel van het pensioenvermogen op te nemen als bedrag ineens bij pensionering.

Goed overheidspersoneel

  • Voor een goede doorstroom tussen publieke en private banen is het van belang dat werknemers bij bedrijven en overheid gelijk worden behandeld. De normalisering van de rechtspositie van ambtenaren wordt doorgezet.
  • Daarnaast is het voor het functioneren van de overheid goed dat deze op belangrijke terreinen voldoende expertise in huis heeft. Het beloningsniveau bij de overheid moet zodanig zijn dat ook hoogwaardige en schaarse specialisten, bijvoorbeeld met expertise op gebied van ICT, financiën of inkoop, in dienst kunnen worden genomen.

Openbaar bestuur en ICT-dienstverlening overheid

Het kabinet vindt dat een goed functionerend openbaar bestuur zich weet aan te passen aan maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Aanpassing aan de digitale samenleving is niet alleen noodzakelijk, het biedt ook mogelijkheden voor een betere dienstverlening.

  • De Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr) wordt aangepast om de politieke verantwoording over gemeentelijke samenwerking te verbeteren. Besluitvorming in een gemeenschappelijke regeling moet transparant zijn en betrokken gemeenteraden moeten hun controlerende rol beter kunnen uitvoeren en zo nodig kunnen ingrijpen.
  • Veel kleinere gemeenten zijn voor belangrijke taken die de directe levenssfeer van mensen raken in sterke mate afhankelijk geworden van regionale samenwerking op grond van de Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr), waarbij de democratische controle door gemeenteraden op afstand staat. Op verschillende gemeenten hebben gemeenten daarom in samenspraak met de provincie het initiatief genomen tot gemeentelijke herindeling. Het kabinet ondersteunt die beweging. Het is aan de provincie de herindelingsprocedure op basis van de Wet Algemene regels herindeling (Wet Arhi) te starten.
  • Het kabinet biedt ruimte aan initiatieven van burgers en verenigingen in de samenleving. In overleg met gemeenten wordt daarom via een Right to challenge-regeling burgers en lokale verenigingen de mogelijkheid geven om een alternatief voorstel in te dienen voor de uitvoering van collectieve voorzieningen in hun directe omgeving. Daarnaast wordt er samen met enkele gemeenten experimenteren met een recht op overname, waarbij lokale verenigingen of buurtbewoners het eerste recht krijgen om maatschappelijke voorzieningen over te nemen en de bijbehorende functie voort te zetten.
  • De Basisregistratie Personen (BPR) wordt gemoderniseerd en zal de email-adressen van burgers bevatten. Gegevens van burgers in basisadministraties en andere privacygevoelige informatie wordt altijd versleuteld opgeslagen en de DigiD wordt veiliger gemaakt.
  • Ter bevordering van de privacy wordt de eigen regie op persoonsgegevens vergroot. Gebruikers van overheidsdiensten krijgen de mogelijkheid zelf maatschappelijk relevante instanties en organisaties aan te wijzen waaraan een beperkt aantal persoonsgegevens automatisch kan worden verstrekt.

Onderwijs en onderzoek

De voornaamste ambities van dit kabinet liggen in de bestrijding van kansenongelijkheid en de stimulering van talent, goede docenten met een sterke positie, toponderzoek en krachtig beroepsonderwijs.

Kansen en talenten

  • Er wordt € 170 miljoen uitgetrokken voor versterking van de vroeg- en voorschoolse educatie. Daarmee wordt een aanbod van 16 uur per week voor achterstandsleerlingen gerealiseerd.
  • De wettelijke basis voor het verplicht afnemen van een Diagnostische Tussentijdse Toets in het voortgezet onderwijs wordt afgeschaft.
  • Scholen krijgen de opdracht om op regionaal niveau een zo dekkend mogelijk aanbod van verschillende brugklassen aan te bieden, waarbij categorale scholen samenwerken met scholengemeenschappen voor soepele overgangen van leerlingen.
  • Sommige kinderen zijn gebaat bij een meer geleidelijke overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. De 10-14-scholen, een samenwerkingsvorm tussen basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs, voorzien in een behoefte. Voor dergelijke vormen van samenwerking komt meer experimentele ruimte.
  • Samen met onderwijzers, leerlingen, ouders, het vervolgonderwijs en het beroepenveld wordt de afgesproken herziening van het onderwijscurriculum doorgezet. Deze wordt in 2019 wettelijk verankerd. Hiermee wordt het funderend onderwijs voor vakken als Nederlands, rekenen en wiskunde meer toekomstbestendig gemaakt en komt er meer aandacht voor digitale geletterdheid en praktische vaardigheden.
  • Het kabinet wil het rekenonderwijs versterken en verbeteren. In het voorgezet onderwijs komt een alternatief voor de rekentoets. Dit alternatief treedt uiterlijk in het schooljaar 2019-2020 in werking en wordt daarmee voor alle leerlingen op alle niveaus een geïntegreerd onderdeel van het examen.
  • Het kabinet maakt voor leerlingen in het voortgezet onderwijs experimenten mogelijk om meerdere vakken op een hoger niveau af te ronden en daarmee toegang te krijgen tot specifieke vervolgopleidingen, mits zij voldoen aan de selectiecriteria van desbetreffende vervolgopleidingen. Daarnaast start het kabinet een onderzoek naar de voor- en nadelen van een brede invoering van diploma’s met vakken op verschillende niveaus in combinatie met invoering van een brede selectie aan de poort bij vervolgopleidingen.
  • Het kabinet zet de ingezette systematiek van passend onderwijs voort. Er wordt onderzocht op welke wijze het leerrecht van kinderen wettelijk kan worden vastgelegd. Ook zal het kabinet, mede met het oog op leerlingen met een ernstig meervoudige handicap, bezien hoe de zorg voor leerlingen binnen een beperkt aantal onderwijsinstellingen met complexere casuïstiek direct uit de middelen voor zorg in onderwijstijd kan worden gefinancierd.
  • Beperkt en begaafd, ieder kind verdient onderwijs om zich maximaal te ontplooien, ook als dat extra zorg of ondersteuning vraagt. Het kabinet wil dat ouders en scholen in een gelijkwaardig gesprek een passende aanpak afspreken, daarbij ondersteund door de mogelijkheid van een onderwijsconsulent. Het aantal thuiszitters moet fors beperkt worden en verzuim moet eerder gesignaleerd en aangepakt worden. Alle samenwerkingsverbanden zullen daartoe een wettelijk verplichte doorzettingsmacht beleggen.
  • Het budget voor het onderwijsachterstandenbeleid wordt verhoogd met € 15 miljoen per jaar en de verdeling wordt geactualiseerd. Hetzelfde bedrag wordt geïntensiveerd op het onderwijs voor hoogbegaafde kinderen.
  • Om jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan onze samenleving wordt de mogelijkheid van een maatschappelijke diensttijd ingevoerd van maximaal 6 maanden. Deze dienst kan tegen een bescheiden vergoeding worden ingevuld door jongeren. Samen met maatschappelijke organisaties kunnen ieder jaar bij medeoverheden projecten voorstellen die voor deze diensttijd in aanmerking komen. Voor de maatschappelijke diensttijd is budget beschikbaar dat oploopt tot € 100 miljoen per jaar.
  • Het kabinet gaat verder met het beleid om laaggeletterdheid terug te dringen. Het budget hiervoor wordt met € 5 miljoen per jaar verhoogd.

Ruimte, vertrouwen en verantwoording

  • Leerlingen, ouders en leraren willen dat onderwijsmiddelen optimaal bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Om ervoor te zorgen dat het extra geld gebruikt wordt waar het voor bedoeld is, houdt het kabinet het primair- en voortgezet onderwijs aan bestuurlijke afspraken.
  • De onderwijsinspectie gaat in de toekomst niet alleen toetsen op de deugdelijkheidseisen maar stimuleert ook dat scholen zich continu verbeteren. Dit komt tot uitdrukking in de waardering ‘goed’ of ‘excellent’. Daarbij krijgt de onderwijsinspectie een discretionaire bevoegdheid om bij de beoordeling van scholen meer rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van bovenmatig veel zorgleerlingen. Dit doet meer recht aan scholen die zich extra inspannen voor passend onderwijs.
  • Uit de pilot regelluwe scholen blijkt dat sommige landelijke regels probleemloos geschrapt kunnen worden. Dat gaat het kabinet doen. In het verlengde hiervan stimuleert het kabinet de sector om de eigen administratieve regeldruk terug te dringen.
  • Het kabinet gaat in overleg met het onderwijsveld met als inzet de eindtoets in het primair onderwijs te vervroegen en/of het eindadvies later uit te brengen. Daarmee komt, voorafgaand aan het eindadvies, alle informatie beschikbaar.

Een sterke docent

  • Er wordt structureel € 270 miljoen vrij gemaakt voor modernisering van de cao primair onderwijs. De arbeidsvoorwaarden voor docenten worden verbeterd in combinatie met het normaliseren van de bovenwettelijke regelingen.
  • Er komt structureel € 450 miljoen beschikbaar om de werkdruk in met primair onderwijs te verlagen. Taakverlichting kan plaatsvinden door aanstelling van conciërges en ander onderwijsondersteunend personeel en door klassenverkleining.
  • Er komt differentiatie in lerarenopleidingen. Er komen specialisaties die zich richten op jongere en oudere kinderen (tot en met de onderbouw in het VMBO) en op vakgericht lesgeven in het beroepsonderwijs. Het beroep van onderwijzer wordt hierdoor aantrekkelijker, zowel voor mannen als voor vrouwen.
  • Om het lerarenregister tot een succes te maken moet het straks, van, voor en door de docent zijn. Dit biedt een kans om de beroepsgroep te versterken en bekwaamheid mee te laten tellen. Lesontwikkeling, intervisie en evaluatie van lessen krijgen ook erkenning in het lerarenregister. Dit draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs.
  • In het primair onderwijs worden tijdelijke contracten voor invalkrachten in verband met vervanging wegens ziekte uitgezonderd van de ketenbepaling.

Krimp en kleine scholen

  • Met de kleine-scholentoeslag blijft het kabinet inzetten op een pluriform scholenaanbod en thuisnabij onderwijs. Hiervoor komt € 20 miljoen per jaar extra beschikbaar.
  • De fusietoets in het basisonderwijs wordt geschrapt. In het voortgezet onderwijs wordt de fusietoets bij krimpproblematiek geschrapt.

Krachtig beroepsonderwijs

  • Er wordt structureel € 100 miljoen per jaar beschikbaar gesteld voor een dekkend aanbod en versterking van de kwaliteit van het techniekonderwijs op het VMBO.
  • Er worden afspraken gemaakt om de overgang van VMBO naar MBO en van MBO naar HBO te verbeteren en om de mogelijkheid voor leerlingen te scheppen om niveau 1 of 2 binnen het VMBO af te ronden.

Hoger onderwijs en onderzoek

  • Het collegegeld voor het eerste jaar van het hoger onderwijs (HB)/WO) wordt gehalveerd met ingang van het collegejaar 2018/2019.
  • Voor de (academische) PABO’s wordt het collegegeld de eerste twee jaar gehalveerd. Hiermee wordt studeren aan de (academische) PABO extra aantrekkelijk.
  • De financiering van het onderzoek aan universiteiten wordt sterker gekoppeld aan onderzoeksinspanningen, wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke impact. Speciale aandacht gaat uit naar technische wetenschappen en onderzoeksgroepen die te maken hebben met hoge kosten.
  • De methodes voor selectie voor de toelating van de masterfase in het hoger onderwijs moeten transparant en eerlijk zijn en de toegankelijkheid van de masterfase moet gewaarborgd zijn, met als vertrekpunt dat tenminste iedere afgestudeerde bachelorstudent het recht krijgt door te stromen naar minstens één masteropleiding binnen het eigen vakgebied.

Zorg

Het kabinet laat optekenen dat onze zorg tot de beste van Europa behoort. Dit wordt de komende kabinetsperiode gecontinueerd. Met als uitgangspunt goede zorg voor iedereen op de juiste plek op het juiste moment.

Goede zorg voor ouderen

  • In deze kabinetsperiode is € 180 miljoen beschikbaar om de kwaliteit te verbeteren en knelpunten op te lossen ten behoeve van maatschappelijke ondersteuning. Na deze kabinetsperiode wordt € 30 miljoen per jaar beschikbaar gesteld.
  • Met gemeenten worden afspraken gemaakt over ondersteuning van mantelzorgers, goede communicatie over het aanbod en de gebruikelijke hulp.
  • Ouderen die niet meer thuis kunnen wonen, moeten kunnen rekenen op goede zorg in een verpleeghuis. Er is structureel € 2,1 miljard beschikbaar om te voldoen aan de nieuwe normen voor goede zorg. Er moeten voldoende goed opgeleide zorgprofessionals zijn. De inzet van kwaliteitsverbetering vraagt om een andere manier van werken: kleinschalig, vraaggericht, innovatief, met minder regels en meer vertrouwen in de zorgprofessionals. Dit moet leiden tot aantoonbare verbetering van kwaliteit. Bestuurders worden daarop beoordeeld.
  • In deze kabinetsperiode wordt € 40 miljoen beschikbaar gesteld om digitaal ondersteunde zorg gericht in te zetten en de verspreiding van innovatieve werkwijzen (e-health) te bevorderen. Zowel thuis als in een verpleeghuis. Na deze kabinetsperiode wordt € 5 miljoen beschikbaar gesteld.

Preventie en gezondheidsbevordering

  • Deze kabinetsperiode is er voor preventie en gezondheidsbevordering € 170 miljoen beschikbaar, daarna € 20 miljoen per jaar.
  • De maatregelen op het gebied van preventie moeten bewezen effectief zijn. Bewezen effectieve interventies krijgen een plek in medische opleidingen en richtlijnen.
  • Er wordt een landelijke aanbod met financiering voor individuele ondersteuning en keuzehulp ingericht voor de preventie en ondersteuning bij onbedoelde (tiener)zwangerschappen.

Curatieve zorg

  • Er worden opnieuw hoofdlijnenakkoorden gesloten over medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wijkverpleging met een totale opbrengst van € 1,9 miljard per jaar.
  • Er worden maatregelen getroffen om de kosten van genees- en hulpmiddelen te beheersen, waaronder een scherpere inkoop en een herberekening van het geneesmiddelenvergoedingssysteem. Deze maatregelen leiden tot een besparing van ruim € 460 miljoen per jaar.

Geestelijke gezondheidszorg

  • Binnen de bestaande budgettaire kaders werken verzekeraars en de GGZ-sector aan de intensivering en opbouw van de ambulante GGZ.
  • Voor GGZ-cliënten die buiten een instelling wonen is een integrale aanpak nodig van gemeenten, zorgaanbieders en verzekeraard over zorg, ondersteuning, participatie, schuldaanpak, scholing en huisvesting, met aandacht voor de omwonenden.
  • Er is een voornemen om met een wetsvoorstel te komen om de Wet langdurige zorg (Wlz) ook toegankelijk te maken voor GGZ-cliënten die langdurige zorg nodig hebben.
  • Er komt een betere vangnet voor mensen met verward gedrag. Daar waar nodig moet regionale 24/7-crisiszorg met voldoende crisisplaatsen en vervolgzorg aanwezig te zijn.

Jeugdhulp

  • Als het thuis niet meer gaat, moeten kinderen kunnen rekenen op passende zorg, bij voorkeur in een pleeggezin of gezinshuis. Samen met de sector wordt het Actieplan Pleegzorg uitgevoerd om voldoende pleegouders te werven en te ondersteunen.
  • Ondersteuning van de transformatie van de jeugdhulp krijgt een vervolg. De invulling hiervan wordt vastgesteld in overleg met gemeenten en de sector. Hiervoor worden tijdelijke middelen tot € 45 miljoen beschikbaar gesteld.
  • Vroegtijdige signalering en open gesprekken over vermoedens van mishandeling en geweld krijgen binnen de meldcode meer aandacht in sociale wijkteams en de jeugdgezondheidszorg.

Inclusieve samenleving

  • In een inclusieve samenleving kan iedereen meedoen ongeacht talenten of beperkingen.
  • Het kwaliteitskader gehandicaptenzorg is een goede basis voor verbetering van de gehandicaptenzorg. Ieder dit nodig heeft is moet aanspraak kunnen maken op een goede plek in een instelling. Dit geldt ook voor kinderen met een verstandelijke beperking of een gedragsstoornis.
  • De groep mensen met een (licht) verstandelijke beperking, daklozen en zwerfjongeren moeten in beeld gebracht worden en er wordt gezorgd voor een betere aansluiting van verschillende vormen van zorg en ondersteuning.
  • Vrijwilligers die werken met mensen in een afhankelijkheidssituatie kunnen voortaan een gratis Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aanvragen. De maximaal onbelaste vrijwilligersvergoeding wordt verhoogd.
  • Gemeenten worden verder gestimuleerd met woningcorporaties afspraken te maken over voldoende en passende woonruimte, met bijzondere aandacht voor kleinschalige en innovatieve wooninitiatieven en doorstroom.

Eigen betalingen zorgverzekering en Wmo

  • De hoogte van het maximale eigen risico voor zorgverzekering wordt deze kabinetsperiode bevroren op € 385 per jaar. De bijbetaling in het Geneesmiddelenvergoedingssysteem worden voor 2019 gemaximeerd op € 250 per jaar per verzekerde.
  • Er komt een abonnementstarief van € 17,50 per 4 weken voor huishoudens die gebruik maken van Wmo-voorzieningen.

Cultuur

Het kabinet vindt Cultuur een verrijking van het individu en verbinding in de samenleving. De komende jaren wordt er gericht geïnvesteerd in kwaliteit.

  • Vernieuwing en talentontwikkeling krijgen meer ruimte bij de cultuurfondsen.
  • Het Fonds voor Cultuurparticipatie krijgt meer middelen voor het behoud en de ontwikkeling van de volkscultuur.
  • Er wordt € 325 miljoen uitgetrokken voor investering in onderhoud en herbestemming van monumenten, kunstwerken en archieven.
  • De overheid staat garant voor geleende tipstukken, hierdoor kunnen tentoonstellingen makkelijker tot stand komen. Goed collectiebeheer, onderzoek en ruimte voor nieuwe aankopen vormen de basis voor waardevolle tentoonstellingen in de toekomst.

Sport

  • Het kabinet is voornemens een sportakkoord te sluiten met belangrijke partners, zoals sportbonden, sportverenigingen, sporters met een beperking en gemeenten. Doel is om de organisatie en financiën van de sport toekomstbestendig te maken. Voor het versterken van de positie van sportbonden trekt het kabinet structureel € 10 miljoen uit.
  • Voor de structurele intensivering voor de topsport wordt € 20 miljoen per jaar geïnvesteerd om meer kansen te bieden aan onze Olympische en Paralympische teams. Dit is een verdubbeling van de huidige investering. Daarnaast komt er meer ruimte voor topsport talenten om onderwijs en topsport te combineren.
  • Het kabinet trekt structureel € 5 miljoen extra uit ter ondersteuning van de organisatie van sportevenementen in Nederland, waaronder EK’s, WK’s en multisportevenementen.
  • Het kabinet gaat steviger inzetten op de aanpak van dopinggebruik, matchfixing, corruptie en misbruik in de sport.

Bron: Regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst | Kabinet Rutte III

Deel deze pagina
Miriam Teunissen
Miriam is breed georiënteerd op het brede HR-vakgebied. Ze is goed op de hoogte van de CAR-UWO en volgt alle ontwikkelingen en actuele thema’s op het gebied van arbeidsvoorwaarden, personeelsbeleid en rechtspositie. Daarnaast is ze sparringpartner en adviseur voor medewerkers en managers.
Meer van deze auteur